Webquest poezie

Dingdichten

Elke leerling uit het groepje verwerkt zijn interpretatie van het bij de vorige opdracht gekozen gedicht niet woordelijk, maar associatief-beeldend. Dat doet je concreet door naar de les vier dingen mee te nemen die naar de inhoud van het gedicht verwijzen. Daarnaast neem je één ding mee dat niets met het gedicht te maken heeft, maar dat bij jou negatieve gevoelens oproept. Als de dingen te groot zijn om mee te nemen of om andere redenen onmogelijk om mee te nemen, kun je ook een plaatje ervan meenemen.


De  groepsleden beschrijven jouw dingen. Ze brengen de plaatjes en de dingen in verband met het bijhorend gedicht. Ieder groepslid komt hierbij aan bod.  De bedoeling is dat het tot een discussie komt over het gedicht aan de hand van de dingen. Het gaat er niet om of de interpretatie correct is, wel of ze volledig is, geënt op wat er werkelijk in het gedicht staat en of de interpretatie beantwoordt aan wat men zich bij de lezing van het gedicht kan voorstellen. Interessant zijn natuurlijk de overeenkomsten en verschillen tussen de dingen van de groepsleden. Beschrijf deze discussie in je werkstuk.

Alle groepsleden schrijven tot slot zelf een gedicht op basis van het ding waar ze een hekel aan hebben. Je zou jezelf hierbij een vormbeperking kunnen opleggen.
Denk bijvoorbeeld aan:
een sonnet
een light verse
een sms-gedicht
een haiku

Maak eventueel gebruik van een rijmwoordenboek .

Alle gedichten van de groepsleden moeten in het werkstuk terecht komen. Kies als groep het beste gedicht uit en maak hier een powerpoint van. Deze powerpoint wordt in de klas gepresenteerd en je krijgt hier als groep een punt voor.