Webquest poezie

Goedemorgen dingen

Mensen verbeelden zich graag dat dingen een vriendelijke of onvriendelijke houding aannemen. Als je opgewekt bent, lijkt het alsof ook de dingen een opgeruimd humeur hebben: ze staan niet in de weg, werken mee, zorgen voor gezelligheid, stralen warmte uit. Maar als je met het verkeerde been uit bed bent gestapt, liggen de dingen dwars: ze vallen uit je handen, werken niet, zijn onhandelbaar en kil. Zo ervaren mensen de hen omringende dingen als een ondoordringbare muur, of juist als een warm en sfeervol nest.

Bij deze webquest lees je twee gedichten waarin de dingen steeds een sfeer ademen die alles te maken heeft met de geestesgesteldheid van de ik/de mens erin. Het eerste is Paul van Ostaijens bekende ‘Marc groet ’s morgens . Het tweede, Ingmar Heytzes ‘Dichter groet ’s morgens de dingen’, speelt met deze klassieker.

Vragen: 
1. Is de ‘Marc’ in het gedicht van Paul van Ostaijen een kind? Waaruit maak je dat op?

2. Het gedicht heeft iets van een kinderliedje; het lijkt vooral door de klanken en niet zozeer door de betekenis te worden gedragen. Van Ostaijen speelt in ‘Marc groet ’s morgens de dingen’ met klank en ritme. Wat is het effect hiervan: vrolijk, treurig? Kan je uitleggen hoe zijn gebruik van klank en ritme dat effect teweegbrengt?

3. Van kleine kinderen wordt vaak gezegd dat ze gelukkig zijn, omdat ze de scheiding tussen zichzelf en hun omgeving nog niet ervaren. Spreekt uit Van Ostaijens gedicht een dergelijk geluk? Uit welke woorden die Marc gebruikt blijkt dat hij de dingen
om zich heen niet als vreemd ervaart? Waarom zouden gedichten die vooral op basis van klanken tot stand lijken te zijn gekomen dit kinderlijk geluk beter oproepen dan
gedichten waarin vooral wordt gereflecteerd?

 4. In ‘Dichter groet ’s morgens de dingen’ heeft Ingmar Heytze de Marc van Van Ostaijen vervangen door een dichter die ’s ochtends niet zijn bed, maar de kroeg uit komt. De lezer begrijpt al snel dat de dichter dronken is, maar dat staat nergens: je maakt dit op uit de manier waarop de dingen zich gedragen. Loop het wangedrag van de dingen in dit gedicht eens na (bijvoorbeeld: slot gaat niet open, sterrenbeelden
vliegen voorbij, etc).

5. In de loop van het gedicht stapelen de aanwijzingen zich op dat dronkenschap niet het enige is dat deze dichter mankeert. Wat is er nog meer aan de hand? Opnieuw zijn het de dingen in het gedicht die je over de eenzaamheid van de dichter vertellen; laat zien hoe zij dit doen.

6. Dat de dichter in het gedicht van Heytze de dingen begroet, is op zichzelf al een teken van zijn eenzaamheid. Of put hij volgens jou ook troost uit het toespreken
van de dingen?

Tot slot: vergelijk hoe de dingen in de twee gedichten uit deze les naar voren komen en hoe de verhouding van de mens tot die dingen verschilt. In welk gedicht blijven de dingen het meest zichzelf, naar jouw idee?